|
|
|
De Haard van Jacobus
Deel 2: Jacobus Kuijlaars en Cornelia Kools Breda 1750 Tweede herziene versie 15 februari 2002 De belangstelling voor de geschiedenis van de familie zal wel vooral uitgaan naar het verre verleden. Wat weten we al over Jacobus of liever over het begin van onze familie? Wat was die man uit Turnhout voor een mens? Een avonturier die de wereld wil verkennen, of een rijke Belg die in Nederland minder belasting wil betalen. Wat was dat voor een katholiek meisje dat met 16 jaar met een Belg in Breda gaat trouwen in een katholieke kerk? In het eerste deel heeft in het schema over de voorouders van Jean Baptist al iets gestaan over de vorige generaties. Dit deel zal geheel gaan over de eerste bekende generatie. Dit stuk zal worden ingeleid door hun huwelijk en hun voorouders. De bijbehorende afstammingslijst is via deze link op te vragen: afstammingslijst. Er is ook weer een alfabetisch register. 1. Het huwelijk In het eerste deel zijn de voorouders genoemd van de vishandelaar/caféhouder Johannes Baptist Kuijlaars bij de oude Tolbrugpoort aan de haven van Breda in het midden van de 18e eeuw. Zijn broers en zussen zijn allemaal opgegroeid na afloop van de Franse revolutie en zijn dus via de Burgerlijke Stand van Breda opgespoord, maar ze zijn allemaal geboren voor de nieuwe tijd van koning Willem I, dus hun geboorte kennen we niet door het stadhuis maar in kerkelijke registers van doop, huwelijk en overlijden. Via de burgerlijke stand kenden we de eerste generatie Kuijlaars in Breda op de grens van de Franse tijd in 1800. De kinderen van Peeter Kuijlaars leerden we kennen in de oudste geboorteakten van de burgerlijke stand in Breda na de Franse revolutie. De geboortedatum van Jean Baptist Kuijlaars moesten we voor 1807 al gaan zoeken in doopboeken. Van zijn vader Peeter zelf heb ik nog geen doopakte kunnen vinden, maar wel kwamen we via huwelijk en andere bronnen tot de naam en het huwelijk van zijn vader. Het huwelijk van Jacobus in 1765 is gevonden in de trouwboeken van de Grote Kerk in Breda en van de RK Waterstraatkerk in het centrum van Breda. Het huwelijk in de Grote Kerk had vooral een burgerlijke betekenis: de registratie als burger van Breda.Vanuit de Grote Kerk zijn ook de huwelijksaankondigingen drie weken voor de huwelijksdatum publiekelijk aangeplakt in Turnhout en Teteringen, waar de ingezetenen bezwaarschriften konden indienen tegen het voorgenomen huwelijk. In de huwelijksakte werden heel sober de namen en datum vermeld; uit de akte van ondertrouw weten we dat het echtpaar van buiten Breda kwam en wat hun laatste wettelijke verblijfplaats was. 2. De voorouders Over de geboorte van Jacobus is nog niets bekend. In Turnhout is de naam niet te vinden in de beide parochies en ook niet in de dooparchieven van het Dekenaat Turnhout, voor zover aanwezig in het stadsarchief van Turnhout. Er schijnt daar geen register bewaard te zijn van ondertrouw in andere gemeenten, dus de oproepen vanuit Breda bij de ondertrouw in Breda zijn er niet gevonden In een testament van 1776 wijzen Jacobus en Cornelia twee familieleden aan als voogden voor voor hun minderjarige kinderen bij voortijdig overlijden: Francis Kuijlaars uit Turnhout en Bart Kools uit Teteringen. Deze Francis moet dus een familielid in Turnhout zijn. Een uitvoeriger onderzoek naar de afstamming van Kuijlaars in die streek kan lonend zijn, omdat vanuit het plaatsje Bergeijk, onder Eindhoven, een andere tak Kuijlaars uit Arendonk komt in hetzelfde dekenaat. Van Cornelia Kools is in Teteringen de doopakte gevonden. Er zijn drie onderling verwante gezinnen gevonden waardoor ook verdere voorouders bekend werden. Haar vader was landbouwer en Cornelia noemde zichzelf ook landbouwster van beroep. Bij navraag in Teteringen hoorde ik dat Kools bekend was als een welgestelde familie. Mogelijk heeft deze maatschappelijke positie een rol gespeeld bij de goede kerkelijke registratie. In Teteringen blijkt dit een uitzondering. Teteringen werd kerkelijk bediend door rondtrekkende paters dus zowel afwezigheid van een priester als verlies van kerkelijke registers kunnen hiaten in de boeken verklaren. Van de familie Kools is niets gevonden vóór 1740 maar we hebben later in Princenhage herkenbaar verwanten gevonden. 3. Het beroep Jacobus noemde zichzelf hovenier van beroep. Dit woord is een beroepsaanduiding; het kan een zelfstandige tuinder zijn maar ook een boerenknecht. Jacobus kan dus knecht geweest zijn in Teteringen en daar getrouwd zijn met de dochter des huizes. Op grond van het beroep als hovenier zal Jacobus zeker uit de agrarische sector komen. Uit het testament van 1765 blijkt dat Cornelia haar handtekening kan zetten en dus op school is geweest. Jacobus is daarentegen analfabeet. Zij zal ongetwijfeld een grote invloed in huis gehad hebben, maar Jacobus weet zich later goed te redden in een groot aantal akten bij drie verschillende notarissen. Door het vroege huwelijk en het gemis aan onderwijs denk ik dat Jacobus geen welgestelde ouders had. Hij zal loonwerk gedaan hebben voor inkomsten. Hij moet goed gezond geweest zijn om indruk te kunnen maken op zo’n meisje en dit zal mogelijk door de ouders erkend zijn. Van huis uit weinig perspectief was in die jaren vaak het motief om te gaan trekken, en het zullen vaak gezonde mensen geweest zijn die het aandurfden om in den vreemde te gaan. De reis van Turnhout naar Breda was is nu met de auto een korte rit maar in die tijd was het een verre tocht. Voor Jacobus was het een dagreis van Turnhout naar Baarle Hertog, en via Chaam en Breda naar Teteringen. Ter vergelijking: in 1950 kon ik zelf met een oude “herenfiets” op een dag van Dordrecht via Breda en Turnhout naar Leuven rijden en om 4 uur het eindpunt bereiken. 4. De woning Van Jacobus is een notariële akte uit 1780 bewaard gebleven van de koop van een woning met adres Wijk A 263. Waar hij eerst gewoond heeft vanaf zijn huwelijk in 1765 is niet bekend. Wel is bekend dat zijn zoon Peeter op Wijk A 260 heeft gewoond, waar bij de dood van zijn vader in 1805 al 7 kinderen geboren waren. Dit adres is een wijknummer, geen straatnummer. De notariële akte uit 1780 omschrijft de plaats als:”pond A 263 gelegen aan de nieuwe weg die is aangelegd vanaf de oude stadsveste omtrent over het hospitaal”. De ligging van A 260 wordt in de akten vanaf 1820 omschreven als “achter de Beijerd” en later als "Beijerd". Straks wordt duidelijk wat "achter de Beijerd" volgens mij betekent. In het museum van Breda kochten we een briefkaart met afbeelding van een waterverfschilderij van Breda uit 1750. In een tamelijk kale zandvlakte rijst een hoge zandheuvel op, van boven afgeplat, en boven de heuvel steekt alleen de kerktoren van de Grote Kerk uit. Binnen die heuvel in een ring van aarde, die toch al gauw 10 meter hoog geweest moet zijn om boven de 2 etages hoge huizen uit te steken, en onderaan de breedte van een zware hoge dijk, om niet weg te spoelen bij een zware wind of regen, daarbinnen moest zich heel het stadsleven afspelen. De noord-zuid afstand van kasteel tot Ginnekenpoort schat ik op 600 meter, en de oost-west breedte van de Tolbrugpoort tot de Oude Veste op 400 meter. Het aantal inwoners schat ik op 5000. Rond om de stad ligt een 250 meter brede ring grondgebied van Breda, zonder huizen of bomen als schootsveld. Daarbuiten de provincie Brabant in Brussel, maar ook als politiek onderdeel van de Republiek. Dit is het beeld van de vestingstad zonder muren maar met hoge aarden wallen. Dit is dus “de Oude Veste” als plaatsaanduiding door de notaris. Buiten de Veste ligt een hospitaal, ook nog genoemd in het VVV-boekje van Breda uit 1897 als bezienswaardigheid: ”aan de rand van de stad gelegen, met daarachter het kerkhof, ook dit hoort bij de stad al stemt het droevig, maar er omheen kun je nog wandelen “(een vrij citaat, want helaas was het boekje waaruit het komt, een herdruk uit 1977, alweer uit de bibliotheek verwijderd). Dit hospitaal heb ik in oude geboorteakten terug gevonden als militair hospitaal. Ik heb dit hospitaal niet kunnen terugvinden op recentere kaarten van Breda. In het adresboek van Breda (tweejaarlijkse uitgave sinds 1870) heb ik Wijk A 260 teruggevonden in 1870 als het adres van de hovenier Adrianus Kuijlaars en zijn zoon. In 1898 wordt de wijknummering 260 veranderd in een straatnummer "Beijerd 65". Dit wordt bevestigd door het concordantieboek van de huisnummers in Breda. In dit boek werd A 263 nog wel genoemd, maar zijn alle nummers boven 260 samengevoegd tot een met pen ingevuld nummer 71. In het archief van Breda wordt dit uitgelegd als de barakken van de Chasseekazerne. In een kopie van een stadsplattegrond rond 1914 worden achter de oude marechausseekazerne en het Gemeentelijk Oudemannenhuis aan de Boschstraat “Houten Tenten” ingetekend. Wat is er gebeurd tussen 1780 en 1915 met de hoveniersgrond ten oosten van Breda? Het gaat om het schootsveld van de oude vestingwal. Op dit terrein zal in 1700 nog een bouwverbod gegolden hebben, en er was geen bos, dus hoveniers konden er wel terecht. Het woord "Beijerd" vind ik in het woordenboek terug als baaierd, ziekenzaal of passantenhuis. Breda had dus een ziekenhuis of opvanghuis met aanliggende begraafplaats buiten de vesting. Dit kan gebruikt zijn als pesthuis, maar ook als opvanghuis voor zwervers of reizigers zonder toegangspapieren tot de stad. Als we de vestingwal doortrekken vanaf het kasteel via de Vlaszak en de Oude Vest naar het begin van de Ginnekenstraat, dan zien we op de kaart dat ook andere activiteiten ontstaan binnen het schootsveld, zoals de genoemde marechausseekazerne en de paardenstallen van de artillerie, het exercitieterrein van de latere Chassekazerne en daarbij aansluitend de bekende cellulaire gevangenis (de koepelgevangenis van Breda, de noordgrens van Wijk A). Dit was ook een vorm van een passantenverblijf voor lieden die buiten de stad moesten blijven. Rond die tijd is het hele schootsveld om Breda letterlijk omsingeld door een singelgracht en behalve de militaire en “sanitaire” inrichtingen in het oosten, werd het volgebouwd met woningen. De nieuwe Chasseesingel van de artillerie (de huzaren) is dan nog niet gebouwd, maar ten noorden van de singel is de spoorlijn tussen Rotterdam en Tilburg al aangelegd. Voor het jaar 2000, dus 200 jaar na de Napoleontische tijd is het interessant dat Wijk A nu de plaats is voor het moderne stadscentrum, direct tegen de oude vesting aan. In 1800 werd “achter de Beijerd” ruimte gemaakt voor de KMA en dus vooral voor de artillerie en de huzaren. In 1900 werd de oude Beijerd een militair hospitaal en werd naast het militaire terrein de nieuwe baaierd gebouwd voor de sociaal gestoorden, de Koepel. Nu in 2000 wordt het “schootsveld Achter de Beijerd” ter bescherming van de vestingstad vernieuwd tot een “Breda-centrum achter de Beijerd” met torenhoge gebouwen op de vroegere hoveniersgronden. De plaats van de houten tenten op de kaart uit 1915 zal waarschijnlijk het barakkenkamp geweest zijn voor de Belgische vluchtelingen tijdens de eerste wereldoorlog. In het archief vond ik dat daar een tapvergunning aan een Kuijlaars in het barakkenkamp is gegeven. De gesloopte huizen op die plaats waren een afvalhoop volgens zegslieden in het archief, wat kan wijzen op verkrotting maar ook op milieutoerisme in de buurt van de stad. In 1805 kreeg de zoon Adriaan van Jacobus kans om het “stadshuis” te erven van zijn vader Jacobus, maar hij was al naar Turnhout verhuisd. Het huis moet toen lange tijd leeg gestaan hebben, gelet op de aanmaningen van de notaris. Na alle recente herverkavelingen in Breda is het op de kaart niet goed te lokaliseren, maar het zal wel liggen onder of bij het voor 2002 geplande Casino bij het Kloosterplein eind Oude Vest. Voor het gezin van Jacobus is niet duidelijk waarom in 1780 dit huis gekocht is van de weduwe Johanna Montier. Jacobus had toen twee zonen Peeter en Johannes. De derde zoon Adrianus is eind 1780 geboren en zijn jongste zoon Frans in 1787, drie jaar voordat zijn echtgenote is overleden in 1790. Peeter is pas in 1795 getrouwd. Wanneer en hoe is A 260 in familiebezit gekomen? Uit de keuze van huwelijkspartners en getuigen blijkt dat Wijk A in de tweede generatie een echte grote tuinderswijk geweest is met veel contacten naar de randgemeenten van Breda, vooral Teteringen en Princenhage. Het huis A 260, later Beijerd 95, heeft tot 1906 gestaan op naam van de hovenier A.Kuijlaars. Waar het pand 65 heeft gelegen en of het huis nog bestaat, is nog niet onderzocht. Er is wel een straatnaam Beijerd als zijweg van de Vlaszak maar ik heb geen oude kaarten van de vroegere wegen en verkaveling. 5. Het gezin De oudste zoon Petrus, (in het gezin Peeter genoemd) is een jaar na het huwelijk geboren, zijn moeder is dan 17 jaar. In Breda is nog geen doopakte gevonden, maar ze moet er wel geweest zijn vanwegen de exacte datum in latere officiële akten. Misschien is de kaart uit het register van het doopboek verloren geraakt. Er is geen dochter bekend. De moeder is 27, 31 en 38 jaar bij de geboorten van de drie andere zonen Johannes, Adrianus en Franciscus. In het testament van 1776 verplichten de ouders elkaar om de minderjarige kinderen niet allen te voeden maar ook goed te scholen en op te leiden in de vaardigheden voor het latere leven. Als de moeder in 1790 overlijdt is ze pas 41 jaar. De vader blijft achter met 4 jongens tussen 24 en 3 jaar. Bij de dood van de vader in 1805 na het kerstfeest, is de oudste zoon al 10 jaar de deur uit. Hij was op 29-jarige leeftijd in 1795 gehuwd en zelfstandig gaan wonen op A 260, dus dicht in de buurt. De tweede zoon Jan is in 1805 29 jaar en ondertekent de akte van boedelverdeling namens zijn broers. Jan wordt dan ook aangewezen als voogd over zijn jongste broer Frans van 18 jaar. Adrianus is verhuisd naar Turnhout, en is op dat moment 24 jaar. Het testament zelf, en de boedelinventaris en latere uitvoering beslaat vele akten. Op 19 december 1805 is het testament voorgelezen en de erfenis beschreven in een akte van 28 bladzijden waarvan een afdruk ter inzage is. Jacobus leeft dan nog. Adrianus kan het huis met inboedel erven mits hij aan zijn broers elk ruim 700 gulden zal overmaken. Later blijkt dat Adrianus lang wacht met verzending van een bericht over aanvaarding van de erfenis, maar tenslotte schrijft hij dat hij de erfenis niet wil aanvaarden. We hebben nog niet een document kunnen inzien over de afloop. Voor het gezinsverloop zijn in het testament nog enkele personen genoemd. Er wordt gesproken over de dienstbode van Eyl uit Chaam, voor uitbetaling van loon. Misschien is zij als huishoudster in het gezin van Jacobus gekomen na de dood van Cornelia en is Peeter als oudste zoon gehuwd met een zuster van haar. Deze contacten met Chaam kunnen samenhangen met familierelaties tussen Turnhout en Breda. Bij de dood van Jacobus was zijn gezin al uit elkaar gevallen. Ik heb nog geen tekens gevonden van latere contacten tussen de zonen. Adrianus zal in Turnhout gebleven zijn. In 1810 bij de militaire volkstelling van het Registre Civique worden in Princenhage de namen Jean en Francois Kuijlaars genoemd, die niet in de doopregisters van die plaats voorkomen. Het is dus zo goed als zeker dat de twee zonen van Jacobus toen in die plaats woonden. Dat is hun laatste levensteken dat ik tot nu toe teruggevonden heb. Bij de herziening van deze tekst heb ik de relatie van de tweede zoon Johannes met een Johannes Kuijlaars uit Teteringen laten vervallen. Op grond van de voornamen van het derde kind van de Teteringse Johannes vermoed ik nu dat hij de zoon is van een Antonius Kuijlaars uit Deventer. 6. De persoon Jacobus Ik denk dat Jacobus een imponerende en nog al impulsive indruk gemaakt heeft. Hij is een handelaar geweest, en minder een geboren tuinder. Cornelia, immers beter ontwikkeld, zal zeker hebben ingestemd in het testament van 1776 met de clausule betreffende scholing en vakopleiding van de kinderen. De jonge leeftijd van Cornelia bij het huwelijk met Jacobus heeft niet geleid tot een breuk in de familie Kools. Bij de drie jongste kinderen waarvan wij de geboorteakte in Breda gevonden hebben is telkens een van peetouders afkomstig uit de familie van de moeder. Ook in het testament van 1776 is uit beide families een voogd aangewezen, al heb ik de naam Bart Kools nog niet in een doopregister terug gevonden. De naam van zijn jongste zoon, Franciscus, is zeker ontleend aan Turnhoutse familie. Cees Kuijlaars, 11 december 2001, herzien op 15 februari 2002 |