HvJ - deel 4
Home Up

 

De Haard van Jacobus

Deel 4: Peeter Kuijlaars en Joanna van Eijl

Breda na 1800

Herziene versie van 5 mei 2003

Inleiding

In deel 1 hebben we in Breda gezocht naar een verre voorouder, Jean Baptist Kuijlaars in het Breda van 1850. We ontdekten dat hij een vishandelaar was geweest. Hij had een café aan de Haven op de hoek bij de tolbrug en was getrouwd met een Oosterhoutse die ervaring had met de winkel. Uit hun huwelijksakte weten we dat zijn vader Peeter Kuijlaars heette en nog leefde en dat hij een broer Adrianus had.

In deel 2 en 3 hebben we gezocht naar de eerste Kuijlaars die in Breda is gaan wonen. Vanuit Turnhout in Belgie is in de 17e eeuw een Jacobus Kuijlaars in Breda terecht gekomen en daar heeft hij een eigen hoveniersbedrijf gevestigd aan de rand van de oude vesting in een militair gebied waar geen woningbouw mocht komen maar wel hoveniersbedrijven geduld werden. Dit was het gebied waar later de koepelgevangenis gebouwd is en de gebouwen en velden van de latere Chasseeskazerne. Deze Jacobus Kuijlaars was gehuwd met Cornelia Kools uit Teteringen en Peeter was hun oudste zoon, geboren in 1766. De andere Kuijlaars was de schipper Jan Kuijlaars die in de 17e eeuw uit Hasselt naar Breda is gekomen. Onder zijn nakomelingen vonden we Hendrikus Kuijlaars die in het midden van de 18e eeuw in Breda heel bekend is geworden.

Dit deel 4 gaat over de onbekende Peeter Kuijlaars, zoon van Jacobus en vader van Jean Baptist. Ook bij dit artikel is er weer een lijst van nakomelingen en een alfabetisch register.

Het huwelijk van Peeter Kuijlaars en Joanna van Eijl

Op 3 mei 1795 is Peeter in de R.K. Waterstraatkerk te Breda gehuwd met Joanna van Eijl uit Chaam. Uit haar doopakte kennen we alleen de namen van haar ouders en peetouders maar geen beroepen of adressen. Ze komt uit een dorp in de grensstreek en ze gaat trouwen met een hovenierszoon in Breda. De Schepenen van Chaam geven haar een akte van indemniteit mee, dus de armenzorg van Breda hoeft zich geen zorgen te maken dat de stad armoelijders binnen laat in de gemeente want Chaam stelt zich borg voor haar. In de 17e eeuw werd de borgbrief veel gevraagd van reizigers en andere rondtrekkende lieden. Deze werd dan ingeleverd bij de kerkelijke diakonie, de instantie voor de bijstand in de gemeente. Zwervers zonder borgbrief konden door de rechtbank van de schepenen veroordeeld worden tot de gevangenis waarin allerlei regimes bestonden als werkplaats of doorgangshuis naar kampen of zelfs selectie van zeelieden of soldaten voor de Indie-vaart. Voor Joanna maakte de borgbrief de weg vrij voor een door de gemeente erkend huwelijk in de Grote Kerk van Breda en haar kerkelijk huwelijk in de Waterstraatkerk. Peeter is dan 32 jaar en Joanna 27, en ze kunnen meteen een eigen zelfstandig hoveniersbedrijf beginnen.

Peeter was dus hovenier. Hij heeft waarschijnlijk niet het hele bedrijf van zijn vader overgenomen. Bij de dood van Jacobus in 1805 zijn alle kinderen de deur uit. Als de notaris het testament van Jacobus gaat voorlezen in het sterfhuis treft hij niet de oudste zoon Peeter aan. Executeur testamentair is de 10 jaar jongere Johannes die al eerder als voogd was aangesteld over zijn jongste broer Franciscus en die samen in Pricenhage woonden (zoals blijkt uit de volkstelling van 1812). Het sterfhuis van Jacobus wordt aan de derde zoon Adrianus aangeboden als erfdeel met de voorwaarde dat hij bij aanvaarding een geldsom moet uitbetalen aan zijn broers. Jacobus zal dus bij leven al een verdeling gemaakt hebben onder al zijn zonen. Peeter had in 1795 in elk geval een zelfstandig hoveniersbedrijf dat als Wijk A 260 honder jaar later nog altijd in de familie gebleven is. Uit het testament van zijn vader Jacobus blijkt ook dat de vader toen een huishoudster van Eijl in huis had. Daar Chaam halverwege de weg van Turnhout naar Breda ligt, is er kans dat in deze plaats meer kennissen van Jacobus geweest zijn. Over verwantschap tussen deze huishoudster en de echtgenote van Peeter is niets bekend.

Dit gezin van Peeter heeft geleefd rond 1800, een tijdperk dat ook in deel 3 besproken is. Het was een tijd met veel armoede. Er trekken mensen door de werkeloosheid naar de steden, er wordt niet of laat getrouwd, er is ongelijke levenskans door analfabetisme of scholing van huis uit. Dit soort algemene zinnen zie je zelden in officiele ambtelijke akten. In onze tekst proberen we de gevonden aantekeningen samen te vatten met behoud van persoonlijke elementen.

Het gezin van Peeter en Joanna

Peeter en Joanna gingen wonen in het pand A 260 Achter den Beijerd. Zijn vader had in 1780 een huis gekocht als Wijk A 263, verloor in 1790 zijn echtgenote en is in 1805 overleden in het pand A 263. Het is onduidelijk hoe en door wie beide panden bewoond zijn. Wel weten we dat A 260 tot 1835 zeker door Peeter is bewoond en dat het later door zijn oudste zoon Adriaan is overgenomen en als hoveniersbedrijf in de familie is gebleven tot zeker 1906 volgens het Adresboek van Breda.

Hun eerste kind Cornelia is na twee dagen overleden. Daarna zijn tussen 1796 en 1810 nog 9 kinderen gevolgd, 5 dochters, 3 zonen en nog een jongste dochter, die allen volwassen zijn geworden. 7 kinderen zijn getrouwd maar meestal tamelijk laat. Toen Joanna van Eijl in 1827 kwam te overlijden op 59-jarige leeftijd had zij 2 getrouwde dochters, Cornelia, geb. in 1796 en getrouwd in 1820 en Goverdina uit 1799, getrouwd in 1828, twee dochters die allebei zichzelf hovenierster noemden en dus veel langdurig zwaar werk moesten doen. Iemand “uit het vak” merkte bij de vroege dood van de oudste op: “die heeft zich natuurlijk dood gewerkt op het land”.Joanna heeft nog 3 kleinzonen en 2 kleindochters gekend.

Peeter heeft nog lang geleefd. Bij zijn dood in 1859 was hij 93 jaar. In 1829 bij de volkstelling was hij nog thuis met zijn tweede zoon Petrus als hovenier en drie dochters die thuis werkten. In 1835 is zijn oudste zoon Adrianus getrouwd en in het ouderlijk huis gaan wonen. De vader was bij de volgende volkstelling in 1839 als broeder opgenomen in het Oudemannenhuis aan de Oude Vest dus dicht bij zijn oude huis. Zijn overlijden in 1859 wordt bij de burgerlijke stand aangegeven door de 69-jarige Leonardus van Thoon, de Vader van het huis, en de 69-jarige Petrus Vermeulen, broeder van het huis. Van de persoon Peeter weten we weinig . In de huwelijksakten van zijn kinderen wordt hij als vader vermeld en plaatst hij een bibberende handtekening; over beide ouders is niets opgeschreven. We hopen dat historisch onderzoek in Breda nieuwe gegevens kan opleveren, wie bijvoorbeeld bij hun begrafenis geweest zijn.

Binnen het gezin blijkt weinig voorbereiding op de overgang naar het stadsleven of aandacht voor onderwijs en beroepsscholing zoals genoemd in het notariële testament van Jacobus. Van een paar meisjes is zeker dat ze analfabeet waren en thuis werden gehouden voor het werk. Uit onderwijsverslagen van de gemeente Breda is bekend dat het confessionele onderwijs een grote achterstand had ten opzichte van het openbare onderwijs. Dit kon wel eens volgens omstreden publicaties mede beďnvloed zijn door de uitsluiting van notabele katholieken uit de kandidatenlijsten voor bestuursfuncties.

De kinderen

Cornelia, uit januari 1796, stierf na twee dagen als gevolg van kindersterfte.

Cornelia, uit december 1796. Zij heeft thuis als hovenierster gewerkt. Op 24-jarige leeftijd trouwt ze in 1820 met Barend Meijer, bierkruier van beroep, gedoopt te Hattem (herv. kerk) in Gelderland. Hattem ligt in een hervormde omgeving. De naam Meijer kan wijzen op een joodse wijk in het dorp waarbij de doopregistratie een zuiver burgerlijke betekenis krijgt. Uit de huwelijksakte blijkt dat de moeder schriftelijk toestemming geeft voor het huwelijk van haar zoon; van zijn vader is geen woonplaats bekend, hij is sinds jaar en dag met de noorderzon vertrokken. Barend behoort tot de grote groep werkeloze analfabeten die naar de steden trokken voor werk. De bierbrouwerijen waren voor de bevolking een belangrijke bron voor drinkbaar vocht, wegens de milieuverontreiniging in regenwater en in regenwater. Het ongeschoolde werk zal niet veel loon opgebracht hebben.Bij de geboorteaangifte van de twee eerste kinderen vraagt Barend bierkruiers om mee te gaan als getuigen, maar deze mannen zijn beiden analfabeet dus moet op straat iemand anders gevonden worden voor het plaatsen van een handtekening. De derde keer neemt Barend zijn schoonbroer Petrus mee die wel kan schrijven. Bij de twee volgende geboorten duiken de collega’s van het werk weer op.

Twee jaar na de geboorte van het vijfde kind moet Barend het overlijden van zijn Cornelia aangeven bij de burgerlijke stand. Er staat een verklaring van een arts onder dat zij aan uitputting is overleden, het lot van veel arme vrouwen die tweeverdieners moesten zijn om rond te komen.Er is nog geen onderzoek gedaan naar het leven van Barend en zijn vijf kinderen. We zijn de naam van Barend niet tegengekomen als getuige bij doop of huwelijk van familieleden van Cornelia. Voelde het getto van de bierkruiers zich niet thuis tussen de hoveniers van de stadsrand?

Nieuwe informatie: beide ouders zijn kort na elkaar overleden. Cornelia 13 jaar na het huwelijk en Barend 6 jaar later, hij is niet hertrouwd. Het jongste kind was ruim twee jaar op de sterfdag van de moeder en is een half jaar later gestorven. We moeten aannemen dat het gezin in een achterstandswijk van Breda gewoond heeft. We hebben geen gegevens wie voor de wezen gezorgd heeft. Wel kregen we kort geleden bericht dat de oudste zoon in 1859 in Geertruidenberg getrouwd is.

Maria, geboren 1797. 

Van haar hebben we niets gevonden in het kaartsysteem van de doopboeken in Breda. Pas door de aangifte van een buitenechtelijke tweeling door haar zus Goverdina in 1834 werd ook de moeder bekend. Haar bestaan en leeftijd werd bevestigd door de volkstelling van 1829: op het adres A 260 woonden Peeter Kuijlaars, hovenier van 70 jaar, zijn zoon Pieter van 24 jaar en Maria, 32 jaar, hovenierster. De geboorteaangifte door Goverdina is bijzonder omdat buitenechtelijke geboorten als regel werden aangegeven door de stadsvroedvrouw, die van de moeder nooit meer vermelde dan alleen haar voornaam zonder leeftijd of familierelaties en de kinderen kregen dus de achternaam van de moeder. In dit geval werd door de aangifte de relatie tussen twee zussen bekend die duidelijk getraceerd konden worden. In de avond van 6 mei werd Jacobus geboren en de volgende ochtend Johanna. Het jongetje is twee weken later overleden, van het meisje is 17 jaar later het overlijden aangegeven door buren in het huis waar ze toen woonde. Daar we geen begrafenisregisters hebben geraadpleegd weten we niets over de familieomstandigheden. Van de moeder hebben we geen latere gegevens gevonden in Breda, zelfs geen bericht van overlijden.

In de genealogie wordt bij huwelijken na de trouwdatum ook aangegeven of er kinderen uit dit huwelijk geboren zijn; de bijzonderheden van die kinderen worden in de volgende generatie vermeld. Bij onwettige geboorten wordt bij de moeder geen aantekening gemaakt over haar kinderen. In de volgende generatie worden wel de geboortedatum vermeld en namen van die kinderen genoemd zonder verwijzing naar de moeder. Onze conclusies over wie de moeder is van aangemelde buitenechtelijke geboorten berusten meestal op sociale gegevens, die bij de onderzoekers aangevraagd kunnen worden door belanghebbenden.

Door het geboorteregister van Breda weten we dat Goverdina 4 dagen na de genoemde geboorteaangifte zelf bevallen is van haar derde kind van Jacobus Huijskens.

Johanna Maria, gedoopt in 1798, is ook pas later gevonden door haar overlijdensaangifte in 1872. In die aangifte werd een aantekening gemaakt dat bij de doop ten onrechte een letter C was geschreven in haar familienaam; bij controle vonden we nu wel haar doopakte; het bleek dat haar grootvader Jacobus Cuijlaars peter was geweest. In de overlijdensakte stond de aantekening van haar huwelijk met Adrianus van Alphen. Door de huwelijksakte weten we dat ze 40 jaar was bij het trouwen. De huwelijksakte was opvallend door een secuur en leesbaar handschrift en de volledige opsomming van de voorouders van de bruidegom in drie generaties. Het is een stijlvol huwelijk geweest van een ouder echtpaar in een Bredase familie. Nieuwe informatie: in de trouwakte werden zowel ouders als grootouders zorgvuldig vermeld, een gewoonte van de vroegere gegoede burgerij.

1. Adrianus Alphen van [677]. Geboren 1791 te Breda, gedoopt (RK)

 

Ouders:

2. Matthijs Alphen van [883]. Geboren 1757 te Breda, overleden 23 november 1833 te Breda. Gehuwd 1785 te Breda met:

3. Theodora Verberg [884]. Geboren 1753 te Breda, overleden 7 oktober 1826 te Breda,

uit dit huwelijk:

a. Adrianus [677] (zie: 1).

Grootouders:

4. Anthonie Alphen van [885]. Geboren 1725 te Breda, overleden 7 september 1783 te Breda. Gehuwd 1750 te Breda met:

5. Cornelia Mouwelaars [886]. Geboren 1725 te Breda, overleden 10 juni 1804 te Breda,

uit dit huwelijk:

a. Matthijs [883] (zie: 2).

6. Johannes Verberg [888]. Geboren 1725 te Breda, overleden 21 september 1767 te Breda. Gehuwd 1750 te Breda met:

7. Maria Leemans [889]. Geboren 1725 te Breda, overleden 1 januari 1783 te Breda,

uit dit huwelijk:

a. Theodora [884] (zie: 3).

Goverdina,  

gedoopt in 1799 noemde zichzelf hovenierster en ze is er in geslaagd om een echtgenoot te vinden in dit beroep. Haar broer Adrianus wilde hovenier worden maar is niet thuis blijven in het bedrijf van zijn vader. Hij is waarschijnlijk naar Princenhage getrokken om daar bij iemand anders te gaan werken. Hij heeft daar zijn vrouw gevonden en daar veel hoveniers leren kennen zoals blijkt uit getuigen bij huwelijk en geboorten. Hier heeft Adrinaus zijn vriend Jacobus Huijkens leren kennen als landarbeider en deze vriend trouwt in 1828 met zijn zus Goverdina. Ook zijn broer Pieter is in Princenhage terechtgekomen nadat zijn vader het bedrijf op A 260 had vererfd aan de oudste zoon.

Uit de huwelijksakten blijkt dat deze Jacobus Huijskens echt in de familie is opgenomen. Goverdina heeft vier kinderen van hem gekregen. Bij het huwelijk van de jongste zoon Adrianus Huijskens met Johanna Joosen in 1855 zien we als getuigen van de Kuijlaars-kant twee achterneven Adrianus Kuijlaars en Petrus Kuijlaars, niet de ooms (dus de broers van Goverdina) maar hun zonen met dezelfde voornamen. Het verdere verloop van de familie Huijskens na 1850 is nog onbekend.

Nieuwe informatie: Van de jongste zoon Adrianus weten we dat hij meubelmaker geworden is en in 1865 getrouwd is met Johanna Joosen. Uit dit huwelijk hebben we drie dochters gevonden

Jacoba, gedoopt in 1801 was voor ons de eerste tragische ontmoeting uit de familie van Jean Baptist. Een vrouw van 33 jaar die een onwettig kind Pieter krijgt. De ontdekking leek op dezelfde ervaring van de dochter van visser Jan Kuijlaars, de schoonmaakster Henrica van 32 jaar met haar kindje Maria. Van moeder en kind vonden we eerst niets meer. Later ontdekten we uit de volkstelling van 1829 dat Jacoba niet meer thuis woonde dus ze zal wel huishoudster of schoonmaakster geweest zijn. De ontdekking dat het huwelijk van een kleermaker Pieter uit Utrecht een kleinzoon van Peeter betrof, bracht ons weer op het spoor van Jacoba. Ze was aanwezig bij het huwelijk maar ze kon niet schrijven. Adrianus als broer, en Jacobus Huijskens als zwager van de moeder waren de getuigen van de familie Kuijlaars. Deze Pieter wettigt het oudste onwettige kind van zijn bruid, Hendrikus Johannes, en erkent ook hun dochter Rosalia. Uit de huwelijksakten blijkt dat Pieter uit dienst kwam in Utrecht. Het is mogelijk dat het oudste kind ook van Pieter geweest is in het begin van zijn diensttijd. Pieter heeft mogelijk zijn beroep van kleermaker in dienst geleerd. In die tijd was had dit vak geen hoog aanzien, erg ongezond en vaak werd dit vak aangeboden aan gehandicapte zonen om toch een vak te hebben voor eigen inkomen. In de huwelijksakte staat ook dat beide partners te arm waren om de kosten van het huwelijk zelf te kunnen dragen en dus vrijstelling van de wettelijke kosten kregen. Pieter werd aanvaard in de familie en in zijn beroep. Het gezin van Pieter is getekend door ziekte en/of armoede en de vader is vroeg gestorven. Zijn oudste zoon heeft na de dood van zijn vader het beroep van kleermaker overgenomen. Van de moeder Jacoba weten we niets meer totdat haar dood op 93-jarige leeftijd in 1894 werd aangegeven door twee buurvrouwen die niet wisten of zij familie of kennissen had.

Nieuwe informatie over de kinderen van Pieter: Hendrikus heeft van zijn vader het vak kleermaker overgenomen. Vanaf 1881 wordt hij genoemd in het adresboek van Breda met als adres Vlaszak 300; In 1892 woont hij in Houtententen A 286 als militaire kleermaker, ook wel in 1893 Beijerd 286 genoemd, in 1902 is hij korporaal kleermaker aan de Beijerd 12. Na zijn huwelijk met Catharina van der Horst heeft het gezin 16 kinderen geteld waarvan 4 jong gestorven zijn. Vergeleken met het Breda van een halve eeuw eerder valt vooral bij de jongens de vakscholing op.

Zijn zus Rosalien trouwt in 1882 met de letterzetter Pieter Willemsen.

Adrianus, gedoopt in 1803, heeft na zijn huwelijk in 1835 het hoveniersbedrijf van zijn vader overgenomen op Wijk A 260 te Breda en dit bedrijf is in de familie gebleven tot na 1900. Hij heeft veel contact gehad met broers en zussen. Waar hij voor zijn huwelijk gewoond heeft weten we niet. Het contact met de tuinderknecht Jacobus Huijskens en met zijn latere echtgenote kan wijzen op een verblijf in Princenhage. Zijn ooms Johannes en Franciscus Kuijlaars woonden er zeker tijdens de volkstelling van 1812 en die hadden er familie wonen van hun moeder Cornelia Kools. Adrianus heeft een hovenierster gevonden voor zijn huwelijk. Als getuigen mochten in die tijd alleen mannen gevraagd worden. Zijn vader was aanwezig maar geen broers konden komen (Jean Baptist was in dienst). Zij had maar een broer beschikbaar, Hendrik Bakkers, hovenier te Breda, dus er moesten drie buren gevraagd waren. Alle getuigen “verklaarden niet te kunnen schrijven”. Hij in in 1876 overleden.

Nieuwe informatie: we konden geen onderzoek doen naar het woonhuis als erfgoed van Pieter Kuijlaars. We weten nu dat deze Pieter in 1859 overleden is en onlangs lazen we dat de erven een memorie van successie ingediend hebben. We hebben in het adresboek van Breda vanaf 1870 de hovenier A.Kuijlaars aangetroffen op adres A 260, vanaf 1898 op Beijerd 65. In het boek Geschiedenis van Breda deel III van M.J.M.Duijghuisen en in een aantal plattegronden van Breda is de ligging van dit hoveniersgebied binnen de vesting van de stad beschreven en de nauwelijks geplande overgang van dit gebied aangetoond naar een stadswijk met slechte huisvesting voor een kansarme bevolking.

De kinderen van Adrianus: zijn dochter Johanna Elisabeth heeft nog contact gehad met het gezin van haar oom Jean Baptist de vishandelaar; waarschijnlijk na de dood van die oom toen de weduwe met drie kleine kinderen achterbleef en de zaak van vishandel en cafe zelfstandig moest voortzetten. Zij is gehuwd met een hovenier zonder eigen bedrijf.

De zoon Adrianus heeft het bedrijf van zijn vader later overgenomen. Hij is gehuwd met Cornelia Verkaart, dochter van een collega hovenier. Zijn vader stierf 4 jaar na dit huwelijk. Zelf heeft hij tot 1928 geleefd. Zijn zoon Petrus Adrianus uit 1875 is ook nog begonnen als hovenier maar rond 1906 wordt het hoveniersbedrijf niet meer genoemd in het adresboek van Breda. Vanaf 1907 worden de kinderen in Teteringen geboren, wat kan wijzen op verplaatsing van het bedrijf.

De dochter Cornelia is in 1866 getrouwd met Martinus Bastiaansen, ook een hovenier die is overgestapt naar de bouw die de plaats van de landbouw moest overnemen. Hij heeft nog gewerkt bij de aanleg van de tram naar Oosterhout.

Pieter, gedoopt in 1804 heeft na zijn diensttijd bij zijn vader gewerkt als hovenier.

Nieuwe informatie: hij trouwt in 1833 te Princenhage met Christiana van der Mueren uit Rijsbergen. Bij zijn trouwen noemt hij zichzelf dagloner en zijn vrouw heeft zich altijd werkster van beroep genoemd. Hij is in 1853 jong overleden. Zijn zoon Petrus was toen 21 jaar en trouwde 2 jaar later. De twee jongste dochters waren 13 en 9 jaar oud bij zijn dood. Bij de geboorte van zijn zoon Petrus in Princenhage is hij zeeftenmaker van beroep.

Zijn oudste zoon Piet neemt het beroep van zijn vader als zeeftenmaker over. Zijn huwelijk met Johanna Coppens is kinderloos gebleven. Bij de dood van zijn echtgenote in januari 1892 wordt haar overlijden aangegeven bij de burgerlijke stand te Breda door een neef van de echtgenoot, Adrianus Kuijlaars uit 1839. Drie maanden later in april trouwt Petrus op 60-jarige leeftijd te Princenhage de 30-jarige landbouwster Anna Leijten uit welk huwelijk de zoon Petrus Johannes geboren is in 1893. Hij woonde in 1874 aan de Haagdijk B 322 als zeeftenmaker waar hij in 1887 een winkel aan huis had. Na enkele verhuizingen begint hij in Breda een eigen bedrijf als zeeftenmaker. Het beroep zeeftenmaker hebben we nog niet kunnen vinden.

Zijn zus Johanna trouwt in 1859 met Dingeman Hendersen, sigarenmaker te Rotterdam. Bij het lezen van de trouwakte was onze eerste reactie: hoe komt een sigarenmaker uit Rotterdam aan zijn bruid te Breda? Heeft het beroep van zeeftenmaker iets te maken met de productie van sigaren? Zie bijlage A bij dit deel IV.

Johannes Baptist, gedoopt in 1807, is al beschreven in deel 1. 

Johanna, gedoopt in 1810 is de jongste dochter van Peeter. Zij was in 1829 als 19-jarige nog thuis tijdens de volkstelling. In 1840 trouwt ze met een 4 jaar jongere daggelder uit Hoeven. De beroepen van de echtgenoot zoals genoemd bij de geboorteaangiften kunnen veel ziekte en ook een laag inkomen betekenen. De vele kindersterfte kan armoede betekenen maar ook een ziekte als TBC waartegen in die tijd weinig te doen was. Geboorte en sterven waren zo in elkaar verweven dat het moeilijk werd te ontdekken wie overleden waren en wie dus nog wel in leven waren. Om toch een eigen inkomen te hebben zal Johanna een eigen winkeltje opgezet hebben; en dat zal ze wel goed gedaan hebben, want ze kon schrijven en rekenen. Dat blijkt duidelijk uit de huwelijksakte van haar oudste zoon in 1860. In die huwelijksakte noemt haar man Adrianus ook zichzelf winkelier hoewel hij nog geen handtekening kan schrijven. In 1860 trouwt het eerste kind, zoon Pieter van Helteren, oud 19 jaar en winkelier van beroep, met de 39-jarige weduwe Dimphna van Iersel. In 1889 sterft Johanna, oud 79 jaar. Het jaar daarna sterft de latere zoon Johannes uit 1848, oud 42 jaar, als gepensioneerd militair, dus afgekeurd door ziekte of ongeval. Over nakomelingen is niets bekend.

Nawoord

Rond 1850 zijn 36 kleinkinderen van Peeter Kuijlaars e Joanna van Eijl in Breda geboren. Na die tijd spelen deze voorouders geen rol meer in het leven van die kinderen.De familie valt uit elkaar.

In Breda ontstaat nieuwe werkgelegenheid, met beter onderwijs en nieuwe beroepen. Modern worden de eerste spoorwegen, de eerste fotografie, de eerste verkiezingen op grote schaal met de moderne politieke partijen. En toch blijft het voor ons vanuit de eeuw na 2000 moeilijk voor te stellen hoe onze voorouders rond de eeuwwisseling van het jaar 1900 geleefd hebben, bijna zonder fiets en auto, radio en luchtvaart, brede asfaltwegen. Wij hopen, dat onze bijdragen voor u een hulp zijn voor eigen onderzoek.

Op Internet eindigt ons onderzoek rond 1900. Voor mededelingen of vragen over de periode voor 1900 kunt u bij ons terecht bij de website of bij de auteurs. Met toestemming van de schrijvers zijn soms bijdragen van lezers in onze teksten verwerkt; ook bijdragen onder eigen naam kunnen geplaatst worden.

Voor de periode na 1900 beschikken we ook over een namenbestand dat tijdens het onderzoek tot stand gekomen is. Dit kan van pas komen als bron voor later onderzoek. Dit bestand wordt niet gepubliceerd maar kan voor belanghebbenden waarde hebben voor familiedoelen. Vragen en bijdragen kunnen gericht worden aan de redactie.

Voor reacties: cees@kuijlaars.com

Cees Kuijlaars, 13 maart 2002/5 mei 2003